Het baroktheater

Wat een verrukkelijke verrassingen kent het leven soms toch!

In een donkere ruimte van het kasteel beklim ik een trap en open ik voorzichtig een deur. Daar sta ik dan, in een onvervalst baroktheatertje, intiem en charmant. Er lopen twee bezoekers rond, maar die hebben het al snel gezien. Ik niet.

Nu ik het rijk alleen heb, kan ik de nog lang niet vervlogen theatergeur diep opsnuiven. Het opwindende gekraak van de eeuwenoude planken onder mijn voeten is een genot voor mijn zintuigen, die op een milde manier op scherp staan. Ik ervaar een stilte die aangenaam kalm en toch levendig is. Verrukt bekijk ik de toneelruimte van alle kanten, als laatste vanuit de vorsten-loge, waar je uiteraard het beste uitzicht hebt. Ik stel mij de bezoekers van weleer voor en de theaterstukken die hier in de laatste eeuwen werden opgevoerd.

Achter de coulissen vang ik een glimp op van de kleedkamer. Ach, de rij frivole decors en het grijze papier-maché-achtige souffleurhokje!

Een trapje hoger ontdek ik een kleine museumruimte waar alles over en van het theater te vinden is, mijn vreugde neemt nog verder toe.

Uniek in Europa – dit in 1681 in Schloss Friendestein (Gotha) gebouwde baroktheater dat nog deels in 17e– en geheel in 18e eeuwse staat verkeert, en waar ook nu nog theater- en muziekvoorstellingen worden gegeven. Zelfs de toneelmachine uit 1775 wordt in dit theater nog steeds gebruikt. Ekhof was trouwens de eerste directeur van een Duitse theatergroep in vaste dienst. Gewoon iedere week een salaris, zicht op pensioen, subsidies en een groeiend repertoire met vaste theaterdagen voor iedereen.

Ik kan mij er moeilijk van losmaken. Zo ingenieus vind ik ook het ontwerp van de podium-transformatiemachine! Het idee dat assistenten onder de bühne de zijwaarts gestapelde decors in een paar seconden weten te verplaatsen! Zo ging het toen, zo gaat het nu. Zonder enige elektriciteit.

Kostuum van directeur Ekhof

Even later sta ik weer buiten, het zonlicht is fel. Man en hond zitten op een bank. Waar ik bleef. “Hier heb je mijn ticket”, zeg ik. Ik beveel hem bijna te gaan. Volgend jaar komen we terug voor een concert of een theaterstuk.

Mei 2019.

Ummagumma

Omdat ik de hoes zo mooi vind, gaf ik de oude dubbelelpee een plek in onze woonkamer. Ik heb het over het album ‘Ummagumma’ van Pink Floyd uit 1969. Je ziet een foto van de vier bandleden, maar het is niet zomaar een foto. Op de voorgrond zit de leadgitarist op een stoel in de deuropening van een huis. Lang haar en blote voeten die rusten op een gedecoreerd tapijt waarop met losse letters de naam van de band is gevormd. In de tuin wachten de andere muzikanten op hun beurt, ieder in een eigen pose. Tegen een gestucte muur rust een exotisch aandoende platenhoes met GIGI erop en het hoofd van een Zuid-Amerikaanse. Door de buikfles met de roze strik om de hals wordt dit vrouwelijke element versterkt. De entourage ademt de grandeur van een historisch landhuis met park.

Op de foto hangt aan de muur een schilderij van de elpeehoes waarop de leadgitarist zijn plaats heeft afgestaan aan de bassist. Zo verdwijnt de foto steeds meer in de diepte; hetzelfde beeld met als enige wijziging de wisseling van de bandleden op de stoel.

De sfeer is fenomenaal weergegeven. Ingetogen kleuren, schemerig binnenshuis, buiten is het licht. Met een vleug mystiek omgeven, een belofte, een geheim.

De elpee heb ik al een tijdlang niet meer gedraaid, maar ik ruik soms gelukzalig aan hoes. Geur en geluid roepen bij mij intense herinneringen op, meer dan beeld dat doet. Vorige week werd ik echter overrompeld door het sterke effect van het beschouwen. Geen muziek te horen, een slapende hond, louter stilte in huis. Tijdens het kijken naar de Pink Floyd-hoes word ik in sfeer en tijd in het beeld opgenomen. Alsof het op hetzelfde ogenblik 1970 en 2018 is. Ik ervaar wat ik toen voelde en zag. Ik ben het meisje van veertien met de India blouse en de Afghaanse jas en ik ben de vrouw van nu. Nee, het was geen deja-vu. Het was een wonderlijke Ummagumma-beleving die me zegt dat wij mensen niet beperkt zijn tot het ervaren van slechts 1 dimensie op hetzelfde moment.

September 2018

Sporen

‘De staartmezen verzoenen een mens met heel zijn bestaan’, schreef Hans Dorrestijn in zijn ‘Vogelgids’. De schrijver trok deze conclusie nadat hij een kwartier lang vol verrukking oog in oog stond met een staartmezen-familie. De staartmeesjes zaten op een waslijn, knus tegen elkaar aan. Tot op heden had Dorrestijn op zijn wandeling door het steegje met treurige achtertuintjes alleen maar waslijnen met aaneensluitende regendruppels eraan gezien. Plotsklaps zag hij een lijn zonder druppels en dat kwam omdat die staartmezen daarop waren geland.

Dit zette mij aan het denken over sporen die mens en dier nalaten. En dan heb ik het niet over al die sporen van schandelijk afval, maar over dat wat zomaar ontstaat of spullen die vergeten worden. Een vrolijk wapperend geel lint in een boom na een lentepicknick, ene kerstmannetje op een bankje in een verlaten gebied, een felroze kinderhandschoentje op een bankje naast een vijfbladig herfstblad, of een zonnebril, koddig op een paaltje in het zicht gezet door een vinder.

Toen er sneeuwvlokken uit de hemel neerdaalden die bleven liggen, werd mijn wandelroute ineens een stuk interessanter. Waar je normaal gesproken geen idee hebt wie jou allemaal voor gingen, krijg je dan de handel en wandel van je medemens- en dier voorgeschoteld. Een actieve wirwar van schoen- en pootafdrukken, in allerlei vormen en maten. Hier en daar plaats ik mijn laars op een stukje maagdelijke sneeuw en zie ik op de terugweg mijn eigen afdruk. Als ik een laagje sneeuw op een brugleuning zie, laat ik daar kinderlijk blij mijn handdruk achter, naast die van iemand anders.

In de paardenkastanje die hier voor mijn huis staat, hing al weken een felblauw slipje. Die is daar aan een tak blijven haken tijdens een stormachtige dag. Daar moet ik een foto van maken dacht ik, terwijl ik er ondertussen een heel verhaal bij fantaseerde. Vannacht trok de wind weer flink aan en nam hij het stukje lingerie in zijn snelheid mee. Ik had het nakijken met mijn camera.
Zo is het leven. Het laat sporen na en die verdwijnen ook weer, als sneeuw voor de zon. Kwestie van je ermee verzoenen.

Januari 2019

Zadkine

Het een hoeft niet te lijken op het ander, maar je kan er toch hetzelfde bij beleven. Zo verging het mij in de herfsttijd toen ik in het bos bij mij in de buurt deze boom zag staan. Niet dat ik hem voor het eerst ontdekte. Talloze keren liep ik hier al langs en legde ik ‘m vast met de camera. Want ook al is het een dode boom, het is wel een fotogenieke reus. Een die bij bepaald licht indrukwekkend donker afsteekt tegen de achtergrond.

En nu had ik bij deze boom ineens dezelfde beleving als bij het beeld van Ossip Zadkine, De Verwoeste Stad, waarin het leed van een stad zonder hart zo grandioos is weergegeven.

Ik ken het goed, als kind werden wij al op zondagen meegenomen naar het centrum van de stad om naar het vier meter hoge bronzen beeld (in 1953 onthuld) te gaan kijken. Na de koffie togen we eerst naar de Bijenkorf om daar de etalages te bewonderen en vervolgens wandelden we naar ‘zadkien’ (zeiden wij).

Het maakte een onuitwisbare indruk op mij. Een reus, zijn armen ten hemel geheven, met kolenschoppen van handen die zowel de zware slag die de stad trof verbeeldt, als de onverzettelijke levenskracht van de Rotterdamse bevolking. Als kind al boezemde het mij ontzag in en ook eindeloos mededogen. Ik zag het leed van de reus, maar eveneens zijn kracht. Drama en hoop in één kunstwerk verweven. De maker noemde het niet voor niets zijn levenswerk. In de verder nog vrij kale stad, kwam ‘zadkien’ toen nog geheel en al tot zijn recht. Nu staat het beeld verscholen tussen de hoge gebouwen.

De kale boom in het bos heeft veel meer armen dan de grote man van Zadkine. En toch voel ik de gelijkenis. Zo sterk, dat toen ik een paar dagen later in het museum een kleinere versie van het beeld tegenkwam, ik heel even dacht: daar staat de boom.  Ik fotografeerde het beeld en de schaduw ervan op de muur. De vereniging van een altijd actieve ‘zadkien’ en de bladerloze verstilde boom.

december 2018

Goed ingestopt

Daar staan ze.

Een mens die een ogenschijnlijk triviaal karweitje met liefde, aandacht en overgave doet, dat fascineert en ontroert mij.
Zo had ik eens in een historisch vakantiepark op de Veluwe uitzicht op een chaletje. Omdat het in die septemberweek zonnig en warm was, gingen veel senioren fietsen. Zo ook het oudere echtpaar tegenover mij. Ik schatte ze rond de tachtig en ze hadden alle twee een vouwfiets, nee geen elektrische. Als ze hun fietstochtje achter de rug hadden, plaatste mijn tijdelijke buurman ze tegen de zijkant van het chaletje. In de middag genoten hij en zijn vrouw in de tuin van de zon. Kopje thee, lezen, een beetje soezen.

Tegen etenstijd ging de vrouw naar binnen om de maaltijd te bereiden. Haar man liep dan naar de vouwfietsen en drapeerde daar een zeiltje overheen. Nou ja, een zeiltje klinkt oneerbiedig. Je hebt van die speciale hoezen, specifiek voor fietsen. Hij deed dit niet om de rijwielen aan het oog van een voorbijganger te onttrekken. Deze conclusie trok ik, nadat ik iets langer had gegluurd naar de hoes. Als decoratie had een ontwerper een reeks fietsjes bedacht. Onderaan de hoes, zo’n stoet van rijwielen uit verschillende periodes. Want de historie van de fiets is immers een interessante. Van deze aanblik kreeg ik tranen in mijn ogen, een fietsenhoes met fietsjes erop.

De oudere heer droeg iedere dag een zachtaardige pet in lichtgeel met wit. Hij had een vriendelijke uitstraling, met de krachtige breekbaarheid die God mensen vanaf een bepaalde leeftijd zomaar kan schenken.

Nadat hij de hoes over de rijwielen had getrokken, was het touwtje aan de beurt. De vouwfietsen werden ingepakt alsof ze naar bed werden gebracht: lekker slapen, ik stop jullie goed in, tot morgen, welterusten!

Daar kan geen leven volgepland met meditatie, yoga en neuro linguïstisch programmeren tegenop. De eenvoud, de toewijding, de natuurlijke kalmte! Een mooi karwei, dat je met de volle intentie uitvoert. Al doe je het honderd keer of vaker.
Later maakte ik er, een beetje schichtig en van een te grote afstand, een foto van. Als herinnering aan iets met liefde doen. En aandacht. En overgave.

februari 2018

Overgave

Het was een zonnige zomerse dag, niet te warm. Ik zat op een bankje aan de boulevard in het Rotterdamse Kralingse Bos. Een zacht briesje joeg de struise zeilbootjes op de plas traag vooruit. Ik had geluk dat de man op de grasmaaimachine zojuist was vertrokken. En met hem het lawaai. Ik snoof de heerlijke geur op van gras. 

Het eerste bankje links, daar zat ik en de ‘zwerver’ zat op het vierde bankje.

Voor stadse begrippen waren er weinig mensen, al was ik niet alleen. Een paar banken verder had een man van een jaar of vijftig breeduit plaatsgenomen, al had hij mij niet opgemerkt. Ik nam hem vluchtig op. Een rommelige roodharige baard – waarschijnlijk met stukjes eten erin. Een woeste blik onder de borstelige wenkbrauwen. Zijn kleren al een hele tijd niet gewassen, schatte ik in. Hij leunde achterover, zijn handen ineengestrengeld in zijn nek en een been op de mannelijke manier over het andere been.

Zwerver, niet helemaal jofel in de bovenkamer, dronkaard… luidde de inschatting. Eigenlijk zat ik meer in over mijn rommelende darmen dan over de zwerver. Ik had hier afgesproken en zou zo gaan dineren, maar eigenlijk kon er niets meer bij vanbinnen. Het werd tijd om wat lucht te laten ontsnappen. En dat ontsnappen had een iets forsere klank dan ik had ingeschat. Beschroomd lachte ik een beetje in mezelf.

Plotsklaps was daar die bulderende stem. “Zooooo!!!Dat was me een scheet!” riep hij luid. Hij keek mij niet aan. Alsof hij het tegen de hemel had, vervolgde hij: “Ja, laat maar kommen! Goed zo! Laat maar kommen! Los die handel!” Van het groepje studenten dat ons nu passeerde, keken er enkelen vermakelijk mijn kant op. De man bleef stug voor zich uitkijken, hij schonk verder geen aandacht aan me. Ook niet toen ik het uitschaterde van de zenuwen.

Had ik daar even een les van jewelste geleerd – over loslaten, over het hebben van vooroordelen. Toen ik opstond om giechelend mijn vriend tegemoet te lopen, wierp ik een vluchtige blik op de man met de rommelbaard. Nog steeds leek de wereld aan hem voorbij te gaan. Maar hoe alert was hij geweest! Deze man wist pas echt wat loslaten was. “Laat maar kommen!”

(Waargebeurd verhaal, gegoten in een column die is gepubliceerd in de Vruchtbare Aarde-uitgave van september 2018. De Rotterdamse versie vind je bij Columns onder de titel De Scheet)

Letters en draden

Geen woorden maar draden.

Op tv zag ik een filmfragment waarin een wasgoed strijkende vrouw interessante informatie verschafte over de stof waar ze met haar strijkijzer overheen ging. Voor mij klonk het als poëzie, zoals ze haar woorden liefdevol formuleerde. Strijken is voor haar niet gewoon strijken. Het weefsel raakt door een wasbeurt in de war, vertelde zij. De draden verliezen hun samenhang. Er is altijd één draad te midden van andere draden. Door het strijken help je de draden weer hun juiste richting terug te vinden. Zo ordent zij de verborgen wereld in een stuk textiel.

Mijn hart sprong op toen de vrouw de link legde tussen ‘textiel’ en ‘tekst’. Want ook bij het schrijven van een tekst help je de letters hun juiste richting te vinden, tot een compositie klinkend als een klok. Het bijzondere is, dat deze vrouw evenveel aandacht bleek te schenken aan haar strijksessies als aan het vertalen van romans van Dostojevski, want dat deed ze óók.

Mijn liefde voor schrijven begon op de montessori-kleuterschool. Ik ervoer de magie tijdens het creëren van woorden door het bijeenbrengen van letters en later het maken van regels, opstellen en verhaaltjes. Van het schrijven als handeling hield ik ook. Een inktpot, verzonken in de tafel, een kroontjespen, in schoonschrift de inkt overbrengen op het papier.

Op mijn twaalfde begon ik een dagboek. De stapel dagboekschriften groeide en groeit nog steeds, want zonder schrijven kan ik niet. We mogen dan gemak hebben van digitale hulpmiddelen, maar wat kan er op tegen het fysieke contact van pen op papier? Met grote woeste letters schrijven als je de pest in hebt, netjes of slordig, naar gelang je stemming.

De vrouw van het filmfragment zette mij aan het denken. Als ik strijk, droom ik nog wel eens weg. Terwijl ik de draden naar hun bestemming terug laat keren, krijg ik de geweldigste ideeën voor een verhaal. Ik vraag mij wel af of iedere draad recht heeft op de volledige aandacht, zonder inmenging van letter. En vice versa. Of mag ik de boel naar hartenlust combineren? Dáár ben ik nog niet uit. 

(De oerversie van deze column is ontstaan op papier, geschreven met een balpen.)

(Over)leven in het tuinhuis 14 en slot

Warm stromend water

Na maanden douchen bij Wilke op school (foto) eindelijk weer ’s een badkamer in de buurt

Soms is er redding.
Het moment dat we het huis dat we nu huren konden betrekken, kwam samen met het begin van de bomenmoord rondom het tuinencomplex. Twee maanden lang zal het vreselijke geluid te horen zijn van elektrische zagen, machines en bomen die na de executie dood neervallen. Het bos huilt. En als ik makkelijk zou kunnen huilen, deed ik mee.

‘Wat vreselijk dat ze dit allemaal ten gronde richten,’ gromde ik. Dat vond Wilke ook. Maar hij had goed nieuws zei hij en vertelde van het heuse huis dat ons zou verwelkomen als we dat wilden.
Ik aarzelde. Weer slepen met spullen? Nee toch! De tuin alleen laten? Maar al snel was ik om. Die massale bomenkap had mij het laatste zetje gegeven.
Toen we twee dagen lang hadden meegemaakt hoe het ook alweer was om een wc in de buurt te hebben en een badkamer en warm stromend water, werd het opvallend ontspannen. Vooral tussen Wilke en mij. De vijf weken vakantie waarin nog van alles gedaan en geregeld moest worden plus het verblijf in een kleine ruimte, hadden toch een beetje in het huwelijkse geluk gehakt. Zouden we maar gaan scheiden? En zie, twee dagen samenleven in een normaal huis later zaten we weer als tortelduiven op de bank. ‘Darling, zet jij even de vaat in de afwasser? Dan neem ik ondertussen een douche.’

Alleen het gebruik van de schoolwasserette gaat tot op heden door maar daar komt nog deze week verandering in. Dan is mijn geluk compleet.
En zo kom ik er achter dat ik wel in primitieve omstandigheden kan leven, maar dat ik een vrouw ben voor comfort en ruimte. Wilke ook trouwens. Om over Ruby maar te zwijgen. Die schattige tiny houses? Leuk als je jong, verliefd of alleenstaand bent of voor een vakantie.

Het is wel een beetje zielig voor het tuinhuis en de tuin. Een mens zorgt voor bezieling. Niet dat het nu zielloos is, maar dat we het als woonplek hebben verlaten is duidelijk te voelen.

Toen het tuinhuis nog een dagelijkse bezieling kende…

‘Hoe heb je dit alles ervaren?’ vroeg iemand mij.
‘Wel, het was een ervaring.’
‘Was het een mooie ervaring? Een leerzame ervaring? Een bijzondere ervaring?’
Ik dacht een tijdje na.
‘Van alles wat.’
Daar moest hij het mee doen.

Misschien verwoordde een van de medetuiniers, Frederique, het wel het beste. Daarom citeer ik haar hier:

Lieve Emmy, wat een enig verslag. Ik heb er van genoten. Vooral ook omdat ik er af en toe getuige van ben geweest. Het lijkt me al met al toch een hele goede ervaring voor jullie. Van een (bekende en betrouwbare) arts vernam ik onlangs dat het heel gezond is om flexibel te zijn. Ook stress is, met mate, nodig voor ons welzijn. Het is heel goed voor onze geestelijke gezondheid. Dementie blijft achterwege. Wie weet kunnen jullie later, als hele vitale en alerte 100-jarigen, nog  van het leven genieten. Misschien hebben jullie dat voor een deel te danken aan het jaar 2016 en aan de gezonde onbespoten groenten en fruit van jullie volkstuin. Het verblijf daar levert jullie in de toekomst waarschijnlijk nog veel levensgeluk en plezier op. Op dit moment echter is het vooral een mooie geschiedenis en schreef jij er een uniek en boeiend verhaal over.’

Frederique en Rob aan het doppen van de tuinbonen

Het eenzame tuinhuis (misschien een nieuw verhaal?)