(Over)leven in het tuinhuis 9

Kikkerseks en winterkoninkjesliefde

Het is nacht. Terwijl Wilke ligt te snurken, luister ik naar de verleidelijke lokgeluiden van de kikkermannen.
Achter het tuinhuis ligt een sloot. Dat weten jullie echter al lang na mijn klaaglijke muggenverhaal. Maar er is meer tussen het kroos en het riet. Zwanen en zwaantjes, eenden en eendjes, meerkoeten en meerkoetjes. En die kikkers dus. Ze hebben zich gek gepaard in de afgelopen maanden. Het stikt dan ook van de kleine kikkertjes in de tuin.

Paren. Ze krijgen er geen genoeg van.

Door dat massale kabaal dacht ik dat ze aan groepsseks doen. Maar een groot deel van het kwaken heeft te maken met het voorspel. De mannetjes schreeuwen met opgezwollen keelblazen hun paringsdrift van de daken. Een kikkerin kan daar geen nee meer tegen zeggen. Daar zou ze problemen mee krijgen. Toch zat ik er niet ver naast toen ik op de kikkerwebsite las: ` Kikkermannetjes willen zich onder invloed van de paringsdrang nog wel eens vergissen en pakken alles wat maar op een vrouwtje lijkt, zoals een ander kikkermannetje, een kikker van een andere soort of een vis. Een triootje komt ook regelmatig voor en soms ontstaat er zelfs een hele kluwen van kikkers.’
Tot zover de kikkers. En de padden. Want die doen het ook.

In het voorjaar hadden we een winterkoninkjesnest, vlak naast de deur. Voordat er van een bewoond nest gesproken kon worden, had ook hier de man zich danig uitgesloofd. Heel melodieus en hard. Ik verbaas me erover dat hij dit voor elkaar krijgt, met zo’n klein lijf.
‘Ze zijn schijn-vader & moeder,’ zei ik tegen Wilke, want ik hoorde niets vanuit het nest en zij maar aan komen vliegen met insecten. Het nestje van mos (aan de buitenzijde ziet het er zo uit) oogt heel knus. Maar wisten ze nu zelf wel dat ze hun kostbare vliegjes in een leeg huis deponeerden?

Door Winterkoninkjes zelfgemaakt nestje

Toch, op een dag hoorde ik hoge schrille geluidjes. Af en toe gluurde ik door de hedera-haag, heel voorzichtig. En ja hoor, ineens waren daar de gele bekjes. En de kraaloogjes.
Als die grote smoel van mij voor dat gat kwam, deinsden ze een beetje terug. Dat was papa niet. En mama ook niet. Ze hadden al een belangrijke les geleerd: als je iets ziet wat niet op ons lijkt, verstop je dan en houd je stil. Het was wel braaf van ze dat ze daaraan gehoorzaamden, maar ik kon naar de lieve bekjes fluiten. Het was daarom best geoorloofd om een hedera-blad tussen duim en wijsvinger te nemen en het behoedzaam een weinig opzij te trekken, alsof een zuchtje wind door de haag woei. Zo raakten ze aan mij gewend. Maar hun vader niet.
Na mijn observaties trok ik deze conclusie: ma winterkoning bleef bij de kleintjes in de buurt, zo vlak achter of op het dak van het nest. Pa ging kwetterend op jacht. Als wij dan vlak bij het kraamhuisje aan de tuintafel zaten, talmde hij vreselijk met zijn snackje voor het kroost. Protestgeluidjes uitstotend maakte hij allerlei schijnbewegingen, deed alsof hij weer wegvloog, kwam weer terug. En moeder vanaf de zijlijn maar roepen: ‘Kom op zeg, je ziet toch dat die mensen ongevaarlijk zijn! Schiet op met dat eten!’ De jonkies slaakten wanhopige gilletjes: ‘Papa, papa, we hebben honger!

Soms hadden we bezoek en zaten we met z’n allen aan de tuintafel. Voor vader winterkoning was dat te veel van het goede. Van de zenuwen vrat hij het vliegje dan zelf maar op. Ik greep dan in door een gast vriendelijk doch dwingend naar een andere plek te verwijzen.
Op een dag klapte Wilke de parasol boven de tafel open. Toen gebeurde het. Ik gluurde net langs het hederablad in het nestje, toen een vogeltje bijna mijn gezicht invloog. Ik deinsde achteruit terwijl hij een veilig heenkomen zocht. Met zijn kleine pootjes zag ik hem vastgeklampt aan de stengel van een aster hangen. Zijn hartje bonkte. Dat van mij ook.

Daarna kwam er eentje uit het dak van het nestje! Nooit eerder een gat gezien daar. Het derde kleintje kon toen niet achterblijven.
‘Dat heb jij gedaan, met die parasol!’ beschuldigde ik Wilke. ‘Nu zijn ze te vroeg uitgevlogen, van angst!’ Wilke haalde zijn schouders op en ging koffie zetten. Ik had een prachtfoto van de kleine winterkoninkjes kunnen maken. Ze zaten immers verstijfd van schrik vol in beeld. Maar ik vond dat ethisch niet verantwoord. Ik staarde ze aan en wenste dat ze er bovenop zouden komen. Waarschijnlijk kwam het samen, de parasol en de dag van het uitvliegen. Zo zie je maar, dat je het een niet altijd met het ander moet associëren.

Dit was het verhaal van een paar schattige vogeltjes maar ik maak ook andere dingen mee. Eksters bijvoorbeeld zijn van een heel ander slag. Of is het een grote bonte specht? Die heb ik hier ook vaker gezien. Op een ochtend, Wilke was al naar zijn werk, werd er woest op de dunne houten wand van het tuinhuis geklopt, wel zo’n twintig keer. Ik schrok me rot. Ik pakte een paraplu om Ruby en mijzelf te verdedigen en beende naar buiten. Achter het huis zag ik nog net een grote vogel wegvliegen die een staafje bamboe uit zijn snavel liet vallen. De derde verdieping van het insectenhotel dat daar hing had hij voor een deel vakkundig gemold. De staafjes bamboe lagen slordig over de grond verspreid.

Zo vernielen ze ook andere dingen in de tuin, ja echt waar, vooral van plastic bloemen gaan ze over de rooie. En zo valt er nog veel meer over te vertellen maar dan wordt deze column nog langer dan hij nu al te lang is.

Aso-vogels

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *