Willem III leeft! (2)

Willem III leeft! (2)

Er waren zes weken verstreken. De zomer was op zijn retour, vage rottingsgeuren kondigden het herfstseizoen aan. Het was daarom dat ik aan Willem III moest denken. Ondanks zijn opmerkelijke lichaamsgeur had hij geen onaangename indruk op mij achtergelaten. Laat ik het weer eens op een bezoekje wagen, sprak ik tegen mezelf.
De portier groette mij. Ze kennen me, daar bij Het Loo. Niemand zou mij verdenken van het mijzelf onrechtmatig toegang verschaffen tot het paleis. Het was toch bijzonder dat nog nooit iemand die zijdeur ontdekt had. En terwijl ik dat dacht, ging ik sneller lopen. Want het zou kunnen dat mijn fantasie met het kijken naar de oude deur op de loop was gegaan. Ook zou het kunnen dat ik op een bankje in de orangerie in slaap was gesukkeld en het allemaal had gedroomd.
Door al die hersenspinsels was ik verrast dat de klink van het krakkemikkige deurtje, waarachter de dood gewaande stadhouder zich ophield, was verdwenen. Met mijn schouder duwde ik er tegenaan, maar hij gaf niet mee. Terwijl ik de omgeving in de gaten hield, deed ik een paar stappen achteruit. Ik tuurde naar het venster in de gevel, dat in een ver verleden zo’n drie meter boven de deur was bedacht. Hier had de architect de boel afgeraffeld want de verhoudingen waren zoek, stelde ik vast. Of waren er ramen dichtgemetseld? Niet afdwalen met je gedachten, zei ik tegen mezelf. Erbij blijven, want stel dat ik daar het rijk niet meer alleen had. Ik was tenslotte niet de enige wandelaar op het landgoed van Het Loo.
“Willem!” siste ik, mijn blik gericht op de raampartij waar hij me laatst had nagezwaaid. Geen teken van leven. Dan nog maar een keer. “Willem! Alice hier!” Ik had iets te hard geroepen. Ik trok de aandacht van een tuinman die ergens in een perk over een struik gebogen stond. Ik deed alsof ik doorliep en toen hij even niet keek, verstopte ik me achter een boom.

“Joehoe, Willem!” probeerde ik vanaf die plek nog een keer. Na enige tijd ging de deur krakend op een kier. Ik stoof ernaartoe.
“Mevrouw Alice, dit treft mij aangenaam, dat u mij wederom visiteert,” begroette hij me.
“Een verzoek: zeg je, jij en Alice tegen mij. U bent nog altijd de koning, dus ik ga de majesteit niet tutoyeren. Maar zeg eens, wat zijn dat voor fratsen met die deur?”
“De deurklink heb ik verwijderd, uit vrees dat meer mensen op het idee zouden komen. Al denk ik dat niet iedereen mij werkelijk kan waarnemen. Goddank, zou ik zeggen.”
Ik knikte plechtig. Zo’n uitzonderingspositie sprak me wel aan.
Terwijl Willem III me op de gammele trap voorging, wankelde hij even. Naast de geur die ik van de vorige keer herkende, dacht ik een alcoholkegel waar te nemen.
“Was je al aan de borrel?”
Hij schonk geen aandacht aan mijn vrijpostigheid. Elegant hielp hij mij uit mijn jas en wees me een fauteuil. De stofwolken vlogen me om de oren toen ik erop plaatsnam.
Doorgaans goed van de tongriem gesneden, wist ik toch een tijdlang niets te zeggen. Ook de stadhouder zei geen woord.
Die deur daar beneden kan wel wat timmerwerk en verf gebruiken’, merkte ik uiteindelijk praktisch op.
‘Ach ja, ik beschik niet meer over personeel, helaas’, verzuchtte hij. ‘Verval is wat rest. Enkel nog verval. Alleen ikzelf raak niet in verval. Nou ja, niet echt, als je begrijpt wat ik bedoel.’
Zijn blik, vol weemoed, verlangend, smekend bijna, was nu strak op mij gericht. Gevoelig als ik ben, beroerde dit mij tot in het diepst van mijn ziel. Alsof ik werd gelanceerd sprong ik op. Ik snelde naar hem toe, knielde en greep zijn hand. ‘Majesteit….’, stamelde ik.